Kronplatz: Poort naar de Dolomieten
Omringd door de Alpen in het noorden en de Dolomieten in het zuiden, zijn de dorpen rond de Zuid-Tiroolse berg Kronplatz perfect gesitueerd voor het maken van indrukwekkende toertochten.
“Omdat koningsdochter Dolasilla een groep dwergen gunstig heeft bejegend, schenken ze haar een ondoordringbare wapenrusting en pijlen die niet kunnen missen. Zo wint Dolasilla veldslag na veldslag. Uit dankbaarheid wordt de heldin op top van de berg Plan de Corones door haar vader, de oorlogszuchtige heerser van het Koninkrijk Fanes, gekroond met een waardevolle edelsteen.”
Aldus de verklaring van de naam Plan de Corones, in het Duits Kronplatz, in een eeuwenoude Ladinische sage over de strijd tussen de koningsdochter Dolasilla en de tovenaar Spina de Mul. Een strijd die slecht afliep. Dolasilla’s toverpijlen werden gestolen en in een laatste veldslag tegen haar gebruikt. En de koning, die zich had teruggetrokken nadat hij zijn leger in ruil voor goud had uitgeleverd aan de vijand, verandert in steen. Sindsdien heet de bergpas waar hij zich verschuilde Fauzo Rego, Valse Koning. Een mooi verhaal, bedenk ik als ik vanaf de karakteristieke vlakke top van de Kronplatz de omgeving in me opneem. Want áls er een plek is waar sagen en legenden kunnen ontstaan, dan is het wel hier, op het grensvlak van Alpen en Dolomieten. In het noorden de besneeuwde toppen van de Alpenhoofdkam, de andere kant op, naar het zuiden, het wonderbaarlijke landschap van de Dolomieten. Zelfs de gletsjer van de Marmolada, dik vijftig kilometer naar het zuiden, is vanaf hier zichtbaar.
Ronduit overweldigend, alhoewel je voor deze ervaring wel wat moet doen. De weg omhoog loopt namelijk over een redelijke steile grindweg, waardoor de trapondersteuning van m’n Koga flink aan het werk moet. Pas na anderhalf uur gestaag trappen bereiken we de top. Maar eenmaal boven vergeet je alle inspanning direct, want het uitzicht is inderdaad fenomenaal.
Ook beide musea op de top van de Kronplatz zijn de moeite waard. We bezoeken eerst fotomuseum Lumen, dat is ondergebracht in een gerestaureerd kabelbaanstation uit de jaren zestig. Zowel het gebouw zelf als de tentoonstelling zijn de moeite waard. En hetzelfde geldt voor het Messner Mountain Museum dat een paar honderd meter verder ligt. Alhoewel hier de markante architectuur van architect Zaha Hadid toch wel de meeste aandacht opeist.
Na het Messner-museum rijden we weer terug naar Lumen om het fraaie terras wat te eten en te drinken. Daarna laten we onze fietsen voorzichtig weer naar beneden rollen. Betrouwbare schijfremmen en brede banden met een goed profiel zijn hier beslist geen overbodige luxe. Het is dat mijn e-bike op dat vlak behoorlijk goed is toegerust, want anders zou ik in plaats van de fiets gewoon de kabelbaan naar boven genomen hebben.
Naar het rijk van de Valse Koning
Die oude sage over de koning van Fanes en zijn dochtrer Dolasilla en is niet alleen interessant vanwege de verklaring van de naam Plan de Corones, maar ook vanwege de taal waarin deze en andere verhalen van generatie op generatie werden overgedragen: het Ladinisch. En deze oude Romaanse taal, die aan het begin van onze jaartelling is ontstaan uit het Latijn, is zeker geen dode taal. In het gebied ten zuiden de Kronplatz dat we op onze tweede fietsdag willen ontdekken is de voertaal Ladinisch. Meer dan negentig procent van de bewoners spreekt het.
Ik heb uit het aanbod op de website van Kronplatz de fietsroute naar de Pederü-hut uitgezocht. De reden: deze hut aan de voet van het Fanes-massief – precies, het voormalige rijk van de Fauzo Rego, de Valse Koning – is prima met de fiets te bereiken. Om er te komen volgen we eerst een rustige bergweg door de velden en bossen aan de voet van de Kronplatz. Heerlijk fietsen, alhoewel ik wel blij ben met het motortje onderin. Zo nu en dan stijgen we namelijk flink. Na een kilometer of zestien bereiken we het plaatsje Al Plan de Maréo, volgens het drietalige plaatsnaambord ook Sankt Vigil in Enneberg of San Vigilio di Marebbe geheten.
Als we een dal met de Ladinische naam Val dai Tamersc inrijden, maken de huizen plaats voor bos en raken we langzaam maar zeker steeds meer ingesloten door de bergen. De vallei maakt deel uit van natuurpark Fanes-Sennes-Prags, met een oppervlak van 26.000 hectare het op twee na grootste natuurpark van Zuid-Tirol. Je kunt de resterende twintig kilometers naar de berghut afleggen over een gemoedelijke stijgende asfaltweg, maar omdat deze weg ook door auto’s gebruikt wordt, is het leuker om de parallel lopende grindweg te nemen. Iets minder snel, maar wel rustiger.
Lees meer?
Tekst: Simone Nagel. Foto’s: Arjan Kruik


Reacties