Witzand, spriet en hooi: Op avontuur in de Belgische Kempen

Op het eerste oog is het Vlaamse Mol vlakbij de Nederlandse grens een gewoon stadje, maar als je goed kijkt zie je in het landschap de sporen van de roerige geschiedenis. Als je geluk hebt ontmoet je er onvergetelijke mannen die vertellen over de rijkdommen van vroeger en die van tegenwoordig.

We fietsen in het achterland van Mol, een klein stadje in de Kempen. Ik zie pas echt hoeveel het gebied door het water wordt gedomineerd wanneer we het vanuit de lucht bekijken, via de drone die de fotograaf heeft meegenomen. Het water is werkelijk overal! Kanalen, vennetjes, meren en rivieren!

Rondom De Abdij van Postel. Zo heet de route die we fietsen. Langs de Nederlandse grens loopt hij en even gaat hij er zelfs over. Een dikke vijftig kilometer doortrappen in totaal. “Vroeger was men hier in de Kempen arm, de grond was niet vruchtbaar,” vertelt de oude Staf, gids van dienst. We staan in de Abdij van Postel. Staf zal minstens tachtig zijn, maar barst van de energie. In de linkerhand houdt hij een bosjes kruiden, hij zwaait ermee. “Gagel,” zegt hij. “Een oud kruid. Toen het hier nog moeras was, groeide dat overal. De mannen van de Abdij gebruikten het voor het bier.” Al meer dan veertig jaar geeft Staf rondleidingen in Mol; de Abdij kent hij op zijn duimpje. Hij laat ons de bibliotheek vol fraaie handbeschilderde boeken zien, en de oude kerk van tufsteen uit 1190. Bij een boom staan we een poosje stil. “Een oude boomsoort,” zegt Staf, de Latijnse naam die hij mompelt versta ik niet goed. “Met heel buigzaam hout, geweldig om vroeger de boog voor het schieten van te maken. Maar Napoleon hakte de bomen in de hele streek om, omdat de paarden er dood van gingen. De bladeren zijn giftig. Vierhonderd gram en het paard valt dood neer.” In het Pesthuisje in de kruidentuin van de Abdij dist Staf spannende verhalen op over hoe het hier in de tijd van grote ziekten moet zijn geweest. “Dan schoven ze de doden zo in het gat in de grond,” zegt Staf. Het is ontroerend om te worden rondgeleid door de oude Staf, die met zoveel hart en kennis vertelt. Staf kent ook Dre, de fietsgids die met ons meekomt vandaag.

Spriet en hooi

We ontmoeten Dre in de ochtend. Ook een veteraan, zevenenzeventig jaar oud maar met de energie van een jonge vent. Hij heeft een hoed op tegen de zon, sokken in zijn pantoffels en zachte ogen. We fietsen langs het Albertkanaal, richting de Toren van Sas. Daar is een kruispunt van kanalen, en het barst er van de sluizen. “Alles was hooi hier vroeger, zo kregen de mensen hun geld,” legt Dre uit. “Hooi, hooi. Het vertrok allemaal via de kanalen naar de steden, voor de paarden van het leger, als vulling voor de bedden van de soldaten.” Licht weemoedig zegt hij: “Ach. Ik weet nog goed hoe dat eraan toe ging vroeger. Mijn vader oogstte het hooi. Het is nog niet eens zo heel lang geleden.” Dre wijst naar de kade van het Zilvermeer. “Het meer was er nog niet toen, hier was allemaal veld en daar haalde mijn vader het hooi vanaf. En toen vond men hier op een dag spriet.” Ik moet denken aan het Suske en Wiske-album De Spriet-atoom dat ik vroeger graag las, met een gekke professor erin. Volgens mij had hij een machine die liep op de brandstof spriet. “Het is om te stoken,” zegt Dre. “Zoals turf. Je kan er je huis mee warm maken.” We staan even later voor een enorme poel met daarop witte zwanen en een witte reiger. “Dit hier is helemaal leeggehaald,” zegt Dre. “En op de plek van de spriet is water gekomen.” Poelen en putten vol water dat glinstert, want we hebben geluk: het is geweldig weer. Met de spriet is het inmiddels afgelopen, of bijna afgelopen. “Ik geloof dat er nog twee mensen in Mol stoken ermee, maar dat hebben we tegenwoordig niet graag. Dat ruikt sterk…” Gidsen als Staf en Dre, wat een voorrecht toch om ze te ontmoeten en al hun verhalen te horen. Ze vertellen de verhalen die kleur geven aan Mol. Zij geven zelf kleur aan Mol en aan deze fietsroute.

‘t Zand

Onderweg rijden we over bospaden. Veel berken staan in het landschap. Nederland fietsen we binnen over een smal fietspad; je kan er amper met z’n twee doorheen. Het is soms passen en meten en met die e-bikes van tegenwoordig en de hoge snelheden kan ik me voorstellen dat het hier wel eens misgaat. Dre rijdt gelukkig rond met een hoop ervaring, al is hij meer een wandelaar. Hij heeft tientallen jaren wandelreizen begeleid als gids. Hij laat ons het Zilvermeer zien, een relatief nieuw meer, ontstaan door de afgravingen in Mol. Want op een dag ontdekten ze hier – toen het Spriet al zowat vergeten was – dat er prachtig, wit helder zand in de bodem zit. “Je kan je niet voorstellen hoe zuiver het zand is, de zuiverheid is onnavolgbaar.” Ik krijg een pot vol zand voorgezet, het zand is wit als zout, en voelt zacht aan. Het witzand is ooit afgezet door de Rijn, toen die hier nog stroomde. Grote bedrijven vestigden zich in Mol om het zand te winnen; en dat zand gaat tegenwoordig de hele wereld over. Met name het bedrijf Sibelco ontgon de regio, opgericht door Stanislas Emsens, die zich tot een van de rijkste mensen van België ontwikkelde. Maar hij had hard voor de streek; hij liet eens een school bouwen en tegenwoordig is ’t Kristallijn ook in handen van Sibelco, een cultureel centrum dat belangrijk is voor de streek. Een interessant detail is dat de vader van Dre zijn weiland vroeger pachtte van… jawel, de oude Stanislas.

Bij het Rauwse Meer treffen we ’s avonds honderden ganzen die verpozen aan de waterkant – de schittering van het meer in de avondzon is intens. Met een verrukt gezicht geeft Dre ons ter afscheid nog een eettip: Molse Zander. Een visje, met groentjes en frietjes erbij. We eten de zander bij De Klothoeve, op een steenworp van de Abdij van Postel gelegen. Een absolute aanrader.

Verder lezen?

Tekst: Roman Helinski Foto’s: David Peskens

Deel dit artikel

Over de auteur

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *